NL/BG 11.36

Revision as of 11:47, 28 June 2018 by Vanibot (talk | contribs) (Vanibot #0019: LinkReviser - Revised links and redirected them to the de facto address when redirect exists)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda


VERS 36

अर्जुन उवाच
स्थाने हृषीकेश तव प्रकीर्त्या
जगत्प्रहृष्यत्यनुरज्यते च ।
रक्षांसि भीतानि दिशो द्रवन्ति
सर्वे नमस्यन्ति च सिद्धसङ्घाः ॥३६॥
arjuna uvāca
sthāne hṛṣīkeśa tava prakīrtyā
jagat prahṛṣyaty anurajyate ca
rakṣāṁsi bhītāni diśo dravanti
sarve namasyanti ca siddha-saṅghāḥ

WOORD-VOOR-WOORD-VERTALINGEN

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; sthāne — juist; hṛṣīka-īśa — o meester van alle zintuigen; tava — Jouw; prakīrtyā — door de roem; jagat — de hele wereld; prahṛṣyati — verheugt zich; anurajyate — raakt gehecht; ca — en; rakṣāṁsi — de demonen; bhītāni — uit angst; diśaḥ — in alle richtingen; dravanti — vluchten; sarve — allemaal; namasyanti — brengen eerbetuigingen; ca — ook; siddha-saṅghāḥ — de volmaakte mensen.

VERTALING

Arjuna zei: O meester van de zintuigen, de wereld verheugt zich in het horen van Je naam en daardoor raakt iedereen aan Je gehecht. De volmaakte wezens brengen Je hun respectvolle eerbetuigingen, maar de demonen zijn bang en vluchten alle kanten uit. En dit alles is zoals het moet zijn.

COMMENTAAR

Nadat Arjuna van Kṛṣṇa over de uitkomst van de Slag van Kurukṣetra gehoord had, werd hij verlicht en als een groot toegewijde en vriend van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei hij dat alles wat Kṛṣṇa doet, volkomen juist is. Arjuna bevestigde dat Kṛṣṇa de instandhouder is en het object van aanbidding voor de toegewijden en dat Hij de vernietiger van ongewenste elementen is. Zijn activiteiten zijn voor iedereen even goed.

In dit vers begrijpt Arjuna ook dat er aan het einde van de Slag van Kurukṣetra verschillende halfgoden, siddha’s en intellectuelen van de hogere planeten in de ruimte aanwezig waren en dat ze de strijd gade sloegen omdat Kṛṣṇa daar aanwezig was. Toen Arjuna de kosmische gedaante van de Heer zag, beleefden de halfgoden er veel plezier aan, maar anderen, de demonen en atheïsten, konden het niet verdragen dat de Heer verheerlijkt werd. Door hun natuurlijke angst voor de verwoestende gedaante van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods vluchtten ze weg. Arjuna prijst de manier waarop Kṛṣṇa de toegewijden en de demonen behandelt. De toegewijde verheerlijkt de Heer in alle gevallen, omdat hij weet dat wat de Heer ook doet, goed is voor iedereen.