NL/Prabhupada 0074 - Waarom zou je dieren eten?

Revision as of 13:28, 18 April 2015 by YamunaVani (talk | contribs) (Created page with "<!-- BEGIN CATEGORY LIST --> Category:1080 Dutch Pages with Videos Category:Prabhupada 0074 - in all Languages Category:NL-Quotes - 1974 Category:NL-Quotes - Lec...")
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)


Invalid source, must be from amazon or causelessmery.com

Lecture on BG 4.21 -- Bombay, April 10, 1974


Alles is beschreven in de Bhagavad-gītā. Bhagavad-gītā zegt niet "Je leeft gewoon door lucht te ademen." Nee. Bhagavad-gītā zegt, annād bhavanti bhūtāni (BG 3.14). Anna. Anna betekent voedselgranen. Er is noodzaak aan voedselgranen. Annād bhavanti bhūtāni. Bhagavad-gītā zegt nooit "het is niet nodig om te eten. Adem gewoon lucht in en beoefen yoga." Nee. Maar we moeten noch meer, noch minder. Dat is aanbevolen. Yuktāhāra-vihārasya. We moeten niet meer, noch minder eten. En nirāśīḥ. Nirāśīḥ betekent zonder verlangen voor extravagantie. Nu verlangen we meer en meer naar zinsbevrediging. Dat wordt niet gewild. Als je perfectie in het leven wil bereiken, dit heet tapasya. Iemand heeft het verlangen, maar hij zou niet onnodig moeten verlangen. Iedereen heeft het recht te eten, zelfs de dieren. Iedereen heeft het recht. Maar omdat we verlangen om meer te genieten, daarom geven we niet de kans aan de dieren om goed te leven; in plaats, we proberen de dieren te eten. Dit is niet vereist. Dit heet nirāśīḥ. Waarom zou je dieren eten? Dat is onbeschaafd leven. Wanneer er geen voedsel is, wanneer ze inboorlingen zijn, kunnen ze dieren eten, want ze eten niet hoe ze voedsel kunnen kweken. Maar wanneer de maatschappij beschaafd wordt, kan hij zo veel lekker eten groeien, hij kan koeien houden, in plaats van koeien te eten. Hij kan melk krijgen, voldoende melk. We kunnen zoveel bereidingen maken van melk en granen. Duw we moeten niet verlangen om onnodig te genieten. Dat wordt hier gezegd, kurvan nāpnoti kilbiṣam. Kilbiṣam betekent voortvloeiend gevolg van zondig leven. Kilbiṣam Dus als we niet meer verlangen dan onze behoeften, dan zijn we niet geïmpliceerd, betrokken in zondig leven, kurvan api, zelfs als is hij bezig met werken. Terwijl je werkt, bewust of onbewust, heb je iets gedaan dat niet vroom is, zelfs zondig, maar als je gewoon verlangt om goed te leven, dan kurvan nāpnoti kilbiṣam. Ons leven zou zonder enig zondige reactie moeten zijn. Anders zullen we moeten lijden. Maar ze geloven het niet, zelfs al zien ze zo veel weerzinwekkende levens. Vanwaar komen ze, 8,400,000 soorten levensvormen? Er zijn zo veel levens die in een afschuwelijke conditie leven. Natuurlijk, het dier of het levend wezen weet niet, maar wij mensen, we zouden het waarom van dit afschuwelijk leven moeten weten. Het is māyā's illusie. Zelfs al is men, net zoals... een varken leeft in een hele smerige situatie, eet uitwerpselen, hij voelt zich heel blij, en daarom wordt hij dik. Wanneer men zich blij voelt, "Ik ben heel blij," dan wordt hij dik. Dus je zal deze varkens zien, ze zijn heel erg dik, maar wat eten ze? Ze eten uitwerpselen en leven in een smerige plek. Maar ze denken "Wij zijn heel blij." Dus dat is māyā's illusie. Iedereen die leeft in een hele weerzinwekkende levenssituatie, māyā, door illusie, hij denkt dat hij het goed heeft, hij leeft heel perfect. Maar een persoon die in de hogere fase is, hij ziet dat hij leeft in een hele weerzinwekkende conditie. Dus deze illusie is er, maar met kennis, door goede associatie, door instructies te nemen van de śāstra, van guru, van heilige personen, men moet begrijpen wat de waarde van het leven is en leven op die wijze. Dus hier wordt opgedragen door Kṛṣṇa, dat nirāśīḥ, men zou niet meer moeten verlangen, dan zijn levensbehoeften. Dat wordt nirāśīḥ genoemd. Nirāśīḥ. Een andere betekenis is dat je niet heel erg dol moet zijn van materieel genot. En dat is mogelijk wanneer hij in volle kennis is van "Ik ben niet dit lichaam. Ik ben een spirituele ziel. Mijn behoefte is hoe vooruit te gaan in spirituele kennis." Dan kan hij nirāśīḥ worden. Dit zijn de zaken voor tapasya, ascese, boetedoening. Mensen hebben dat nu vergeten. Ze weten niet was de ascese is. Maar het menselijk leven is bedoelt voor dat doel. Tapo divyaṁ putrakā yena śuddhyet sattvaṁ yena brahma-saukhyam anantam (SB 5.5.1). Dit zijn de instructies van de śāstra. Het menselijk leven is bedoelt voor tapasya. En tapasya... Daarom is in de Vedische levenswijze het begin van het leven tapasya, brahmacārī, brahmacārī. Een student werd naar de gurukula gestuurd om brahmacarya te beoefenen. Dit is tapasya, oncomfortabel leven. Neerliggen op de vloer, van deur tot deur gaan, aalmoezen bedelen voor de guru. Maar ze zijn niet moe. Want het zijn kinderen, als ze getraind zijn in deze ascese, zij komen door beoefening. Ze roepen alle vrouwen, "Moeder." "Moeder, geef me wat aalmoezen." En ze komen terug naar de plaats van de guru. Alles behoort toe aan de guru. Dit brahmacārī leven. Dit is tapasya. Tapo divyam (SB 5.5.1). Dat is Vedische beschaving, dat kinderen van het hele begin van het leven opgeleid moeten zijn in tapasya, brahmacarya. Celibaat. Een brahmacari kan geen jonge vrouw zien. Zelfs als de guru's vrouw jong is, kan hij niet naar de guru's vrouw gaan. Dit zijn de beperkingen. Waar is nu dat brahmacarya? Geen brahmacārī. Dit is Kali-yuga. Geen tapasya.