NL/BG 6.47

Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda


VERS 47

योगिनामपि सर्वेषां मद्गतेनान्तरात्मना ।
श्रद्धावान्भजते यो मां स मे युक्ततमो मतः ॥४७॥
yoginām api sarveṣāṁ
mad-gatenāntar-ātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ
sa me yuktatamo mataḥ

WOORD-VOOR-WOORD-VERTALINGEN

yoginām — van yogī’s; api — ook; sarveṣām — alle soorten van; mat-gatena — verblijvend in Mij, altijd aan Mij denkend; antaḥ-ātmanā — in zichzelf; śraddhā-vān — vol vertrouwen; bhajate — bewijst transcendentale liefdedienst; yaḥ — iemand die; mām — aan Mij (de Allerhoogste Heer); saḥ — hij; me — door Mij; yukta-tamaḥ — de beste yogī; mataḥ — wordt beschouwd.

VERTALING

En van alle yogī’s is hij die zich vol vertrouwen voortdurend in Mij bevindt, die altijd aan Mij denkt en Mij transcendentale liefdedienst bewijst, het innigst met Mij in yoga verbonden en de beste van allemaal. Dat is Mijn mening.

COMMENTAAR

Het woord ‘bhajate’ is hier belangrijk. De wortel van het werkwoord ‘bhajate’ is bhaj, dat gebruikt wordt wanneer er een noodzaak bestaat tot dienen. Het woord ‘aanbidden’ betekent niet hetzelfde als bhaj en kan niet op dezelfde manier worden gebruikt. ‘Aanbidden’ betekent ‘vereren’ of respect en eer betuigen aan een waardig persoon. Maar dienen met geloof en liefde is speciaal bedoeld voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Men kan het nalaten om een respectabel persoon of een halfgod te aanbidden en men kan dan onbeleefd worden genoemd, maar niemand kan het nalaten om de Allerhoogste Heer te dienen zonder volledig te worden verdoemd. Ieder levend wezen is een integrerend deel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en ieder levend wezen is er daarom door zijn wezenlijke positie voor bedoeld om de Allerhoogste Heer te dienen. Doet men dit niet, dan komt men ten val. Het Bhāgavatam (11.5.3) bevestigt dit als volgt:

ya eṣāṁ puruṣaṁ sākṣād
ātma-prabhavam īśvaram
na bhajanty avajānanti
sthānād bhraṣṭāḥ patanty adhaḥ

‘Iedereen die de oorspronkelijke Heer, de oorsprong van alle levende wezens, niet dient en zijn plicht aan Hem verwaarloost, zal zeker vanuit zijn wezenlijke positie ten val komen.’

In dit vers wordt ook het woord ‘bhajanti’ gebruikt. Bhajanti heeft daarom alleen betrekking op dienst aan de Allerhoogste Heer, terwijl het woord ‘aanbidden’ betrekking kan hebben op halfgoden of welk ander gewoon levend wezen dan ook. Het woord ‘avajānanti’ dat in het vers uit het Bhāgavatam werd gebruikt, is ook in de Bhagavad-gītā te vinden. Avajānanti māṁ mūḍhāḥ: ‘Alleen dwazen bespotten de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Kṛṣṇa.’ Zulke dwazen schrijven commentaren op de Bhagavad-gītā zonder een houding van dienstbaarheid te hebben tegenover de Heer. Als gevolg daarvan kunnen ze niet goed het onderscheid maken tussen de woorden ‘bhajanti’ en ‘aanbidden’.

Het hoogtepunt van alle yogamethoden is bhakti-yoga. Alle andere yoga’s zijn alleen middelen om tot bhakti te komen in bhakti-yoga. Yoga betekent eigenlijk bhakti-yoga; alle andere yoga’s zijn stappen in de richting van bhakti-yoga. Het is een lange weg naar zelfrealisatie vanaf het begin van karma-yoga tot het eind, bhakti-yoga. Karma-yoga, handelen zonder gehechtheid aan de resultaten, is het begin van dit pad. Wanneer karma-yoga verrijkt wordt met kennis en onthechting, wordt dat niveau jñāna-yoga genoemd. Wanneer jñāna-yoga verrijkt wordt met mediteren op de Superziel door verschillende lichamelijke methoden en wanneer de geest op Hem geconcentreerd is, dan wordt dat aṣṭāṅga-yoga genoemd. Wanneer iemand vervolgens het niveau van aṣṭāṅga-yoga ontstijgt en tot Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, komt, dan wordt dat bhakti-yoga genoemd, de hoogste vorm van yoga. Feitelijk is bhakti-yoga het uiteindelijke doel, maar om bhakti-yoga in detail te analyseren, moeten de andere yoga’s ook begrepen worden. De yogī die vooruitgang maakt, bevindt zich daarom op het ware pad van eeuwige voorspoed. Iemand die op een bepaald punt blijft steken en geen vooruitgang meer maakt, wordt genoemd naar de naam van dat onderdeel: karma-yogī, jñāna-yogī of dhyāna-yogī, rāja-yogī, haṭha-yogī enz. Wanneer iemand het geluk heeft om tot het punt van bhakti-yoga te komen, is hij boven alle andere yoga’s uitgestegen. Kṛṣṇa-bewust worden is daarom het hoogste niveau van yoga, net zoals wanneer we over de Himālaya’s spreken, we het over de hoogste bergen van de wereld hebben, waarvan de hoogste bergtop, de Mount Everest, beschouwd wordt als het hoogste punt.

Wie zeer fortuinlijk is, komt tot Kṛṣṇa-bewustzijn en situeert zich volgens de instructies in de Vedische literatuur op de juiste manier op het pad van bhakti-yoga. De ideale yogī richt zijn aandacht op Kṛṣṇa, die Śyāmasundara wordt genoemd, die even mooi gekleurd is als een regenwolk, van wie het lotusgezicht straalt als de zon, van wie de kleding fonkelt van de juwelen en die bloemenkransen draagt. De brahmajyoti, Zijn prachtige uitstraling, schittert en verlicht alles om Hem heen. Hij incarneert in verschillende gedaanten, zoals Rāma, Nṛsiṁha, Varāha en Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; Hij daalt neer als een menselijk wezen, als de zoon van moeder Yaśodā en staat bekend als Kṛṣṇa, Govinda en Vāsudeva. Hij is het perfecte kind, de perfecte echtgenoot, vriend en meester en Hij is volkomen in alle volheden en transcendentale kwaliteiten. Wanneer iemand zich voortdurend volledig bewust is van deze eigenschappen van de Heer, wordt hij de hoogste yogī genoemd.

Deze toestand van de hoogste volmaaktheid kan alleen door bhakti-yoga bereikt worden, en dit wordt in de hele Vedische literatuur bevestigd:

yasya deve parā bhaktir
yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ
prakāśante mahātmanaḥ

‘Alleen aan die grote zielen die een onvoorwaardelijk geloof hebben in zowel de Heer als de spiritueel leraar, wordt de betekenis van de Vedische kennis vanzelf geopenbaard.’ (Śvetāśvatara Upaniṣad 6.23)

Bhaktir asya bhajanaṁ tad ihāmutropādhi-nairāsyenāmuṣmin manaḥ-kal-panam, etad eva naiṣkarmyam.

Bhakti betekent devotionele dienst aan de Heer, vrij van het verlangen naar materiële winst, zowel in dit leven als in het volgende. Vrij van deze neigingen, moet men zijn geest volledig op de Allerhoogste concentreren. Dat is de betekenis van naiṣ-karmya.’ (Gopāla-tāpanī Upaniṣad, Pūrva 15)

Dit zijn enkele methoden om bhakti of Kṛṣṇa-bewustzijn te beoefenen, dat het hoogste en het perfecte niveau van de yogamethode is.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het zesde hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Dhyāna-yoga’.