NL/Prabhupada 0028 - Buddha is God

From Vanipedia
Jump to: navigation, search



Buddha Is God
- Prabhupāda 0028


Lecture on Sri Isopanisad, Mantra 1 -- Los Angeles, May 3, 1970

Gargamuni: (lezend): "Het is ook verkeerd om te denken dat gewoon door vegetariër te worden men zichzelf kan redden van het overtreden van de wetten van de natuur. Groenten hebben ook leven. Het ene leven is bedoeld om een ander levend wezen te voeden, dat is de wet van de natuur. Men zou niet trots moeten zijn omdat hij een strikte vegetariër is. Het gaat erom om de Allerhoogste Heer te herkennen. De dieren hebben geen ontwikkeld bewustzijn om de Heer te herkennen, maar een mens ..."

Prabhupāda: Dat is het belangrijkste punt. Net zoals de boeddhisten, die zijn ook vegetariërs. Volgens het boeddhistische principe ... Tegenwoordig is alles verslechterd, maar Heer Boeddha's propaganda was om deze schurken ten minste te doen stoppen met het doden van dieren. Ahiṁsā paramo dharma. Heer Boeddha's verschijning is omschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam en veel andere Vedische geschriften. Sura-dviṣām. Hij kwam om de demonen te bedriegen. De demonen ... Hij maakte zo'n beleid dat de demonen bedrogen werden. Hoe bedroog Hij ze? De demonen zijn tegen God. Ze geloven niet in God. Dus Heer Boeddha propageerde: "Juist, er is geen God. Maar wat Ik zeg, moet je volgen." "Ja heer." Maar Hij is God. Dit is bedriegen. Ja. Ze geloven niet in God, maar ze geloven in Boeddha, en Boeddha is God. Keśava-dhṛta-buddha-śarīra jaya jagadīśa hare. Dus dat is het verschil tussen een demoon en een toegewijde. Een toegewijde ziet hoe Kṛṣṇa, Keśava, deze schurken bedriegd. De toegewijde kan het begrijpen. Maar de demonen denken: "Oh, we hebben een goede leider. Hij gelooft niet in God." (gelach) Zie je wel? Sammohāya sura-dviṣām (SB 1.3.24). Het exacte Sanskriet woord staat in het Śrīmad-Bhāgavatam. Jullie die het gelezen hebben, hebben het gezien: sammohāya sura-dviṣām; om te verwarren. Sura-dviṣām betekent personen die jaloers zijn op de Vaiṣṇavas. De atheïstische klasse, demonen, zijn altijd jaloers op de toegewijden. Dat is de wet van de natuur. Je ziet deze vader. De vader werd een vijand van zijn vijfjarige zoon. Wat was zijn fout? Hij was een toegewijde. Dat is alles. Onschuldige jongen. Hij was simpelweg aangetrokken tot het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra. De vader zelf werd een fervente vijand: "Dood deze jongen." Dus als een vader een vijand kan worden, wat te zeggen van anderen. Dus je moet altijd verwachten dat zodra je een toegewijde wordt, de hele wereld je vijand wordt. Dat is alles. Maar je moet met hen omgaan, want je bent een aangewezen dienaar van God. Je missie is om hen te verlichten. Dus je kan niet zijn ... Net zoals Heer Nityānanda, Hij was gewond, maar toch bevrijdde hij Jagāi-Mādhāi. Dat zou je principe moeten zijn. Soms moeten we bedriegen, soms worden we gekwetst - zo veel dingen. Het enige is hoe de mensen Kṛṣṇa bewust kunnen worden. Dat is onze missie. Op de één of ander manier moeten deze schurken bekeerd worden tot het Kṛṣṇa bewustzijn, op de één of de andere manier.