NL/Prabhupada 0671 - Genieten betekent twee - Krishna en jij -

From Vanipedia
Jump to: navigation, search
Go-previous.png Vorige Pagina - Video 0670
Volgende Pagina - Video 0672 Go-next.png

Genieten betekent twee - Krishna en jij -
- Prabhupāda 0671


Lecture on BG 6.16-24 -- Los Angeles, February 17, 1969

Toegewijde: "Dit wordt gekenmerkt door iemands vermogen om het zelf te zien door de zuivere geest en te genieten en zich verheugen..."

Prabhupāda: Pure geest. Dit is zuivere geest. Zuivere geest betekent om zichzelf te begrijpen dat "Ik behoor tot Kṛṣṇa." Dat is zuivere geest. Geest, op dit moment is mijn geest vervuild. Waarom? Ik denk dat ik behoor tot deze, ik behoor tot dat, ik behoor tot dit. Maar als mijn geest is gefixeerd, "Ik ben Kṛṣṇa's." Dat is mijn perfectie. Ja.

Toegewijde: "... En om te genieten en zich te verheugen in het zelf in die vreugdevolle toestand is men gezeten in grenzeloze...."

Prabhupāda: Dit vreugdevolle in het zelf, dat betekent, Kṛṣṇa de Superzelf. Yoga beoefening. Dat ik individuele zelf ben. Als ik in samādhi met Viṣṇu ben, Superzelf, dat is mijn standvastigheid van de geest. Dus Superzelf en zelf, wanneer ze genieten. Plezier kan niet alleen zijn. Er moeten er twee zijn. Heb je enige ervaring van plezier in je eentje? Nee. Dus alleen genieten is niet mogelijk. Genieten betekent twee - Kṛṣṇa en jij. De Superziel en de individuele ziel. Dat is de manier. Je kunt niet alleen genieten, dat is niet je positie. Ja, ga verder.

Toegewijde: ... Men ligt in grenzeloos transcendentaal geluk en geniet door transcendentale zintuigen. Dus gevestigd, men wijkt nooit af van de waarheid, en bij het verkrijgen van deze, hij denkt dat er geen grotere winst is. Gelegen in een dergelijke positie, wordt men nooit geschud, zelfs in het midden van de grootste moeilijkheden. Deze...

Prabhupāda: In de grootste moeilijkheden. Als je ervan overtuigd bent, dat "Ik ben onderdeel van Kṛṣṇa," dan zelfs als daar de grootste moeilijke positie van je leven is, dat is overgave. Je weet dat Kṛṣṇa je bescherming zal geven. Je doet je best, je gebruikt je intelligentie, maar geloof in Kṛṣṇa. Bālasya neha pitarau nṛsiṁha (SB 7.9.19). Als Kṛṣṇa verwaarloost, kan geen andere remedie je beschermen. Geen enkele andere maat kan je beschermen. Denk niet dat... Stel dat men ziek is. Veel deskundige artsen behandelen hem. Goed geneesmiddel wordt aangeboden. Is dat garantie voor zijn leven? Nee, dat is geen garantie. Als Kṛṣṇa verwaarloost, ondanks al deze goede artsen en medicijnen zal hij sterven. En als Kṛṣṇa hem beschermt, ook al heeft hij geen deskundige behandeling, hij zal overleven. Dus iemand die gefixeerd is in Kṛṣṇa, volledig overgegeven... En een van de punten van overgave is dat Kṛṣṇa me zal beschermen. Dan ben je blij. Net als het kind. Hij is volledig overgegeven aan de ouders en hij is ervan overtuigd dat "Mijn vader is er, mijn moeder is er." Dus hij is blij. Kadāham aikāntika-nitya-kiṅkaraḥ (Stotra-ratna 43 / CC Madhya 1.206). Als je weet dat er iemand is die mijn beschermheer is, die mijn redder is, ben je niet erg gelukkig? Maar als je alles doet voor je eigen rekening, op je verantwoordelijkheid, ben je gelukkig? Ook als je ervan overtuigd ben in Kṛṣṇa-bewustzijn, dat 'Kṛṣṇa zal me bescherming bieden" en als je trouw bent aan Kṛṣṇa, dat is de standaard van geluk. Je kunt anders niet gelukkig zijn. Dat is niet mogelijk. Eko bahūnāṁ vidadhāti kāmān (Kaṭha Upaniṣad 2.2.13).

Dat is het feit. Zelfs je, in je rebelse toestand geeft Kṛṣṇa je bescherming. Zonder de bescherming van Kṛṣṇa kun je niet eens een seconde leven. Hij is zo aardig. Maar als je het toegeeft, als je het herkent, dan word je blij. Nu geeft Kṛṣṇa je bescherming, maar je weet het niet omdat je je leven hebt genomen op je eigen risico. Daarom heeft Hij je de vrijheid gegeven, "Oké, doe wat je wilt. Ik zal je voor zover mogelijk bescherming geven." Maar als je je volledig overgeeft is de leiding bij Kṛṣṇa. Dat is bijzonder. Dat is een bijzondere bescherming. Net als een vader. Het kind dat is opgegroeid interesseert zich niet voor de vader, hij handelt in vrijheid. Wat kan de vader doen? "Oké, doe wat je wilt." Maar het kind dat volledig onder de bescherming is van de vader, hij zorgt er meer voor.

Dat staat in de Bhagavad-gītā, vindt je: samo 'haṁ sarva-bhūteṣu (BG 9.29).. "Ik ben gelijk voor iedereen." Na me dveṣyaḥ: "Niemand is mijn vijand." Hoe kan Hij vijandig zijn? Iedereen is Kṛṣṇa's zoon. Hoe kan hij vijand worden van Kṛṣṇa? Hij is zoon. Dat is niet mogelijk. Hij is de vriend van iedereen. Maar we profiteren niet van zijn vriendschap. Dat is onze ziekte. Dat is onze ziekte. Hij is vriend van iedereen. Samo 'haṁ sarva-bhūteṣu (BG 9.29). Maar wie het herkent, hij kan begrijpen dat "Kṛṣṇa me op deze manier bescherming geeft." Dit is de weg van geluk. Ga verder.