NL/Prabhupada 0812 - We hebben weerstand om de heilige naam te chanten

Revision as of 07:05, 16 May 2021 by Vanibot (talk | contribs) (Vanibot #0005: NavigationArranger - update old navigation bars (prev/next) to reflect new neighboring items)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)


741010 - Lecture SB 01.08.30 - Mayapur

Als we gewoon proberen om Kṛṣṇa's aard te begrijpen dan worden we bevrijd. En als we het proberen te begrijpen dan zal Kṛṣṇa helpen. Kṛṣṇa zegt; śṛṇvatāṁ sva-kathāḥ kṛṣṇaḥ puṇya-śravaṇa-kīrtanaḥ (SB 1.2.17). Hoe meer we over Kṛṣṇa horen, hoe meer we gezuiverd worden. We kunnen Kṛṣṇa niet begrijpen omdat we niet gezuiverd zijn. Maar als je gewoon Kṛṣṇa's naam hoort; Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare, als je chant en hoort dan wordt je gezuiverd.

Dus waarom zouden we deze eenvoudige methode die aanbevolen wordt in de śāstra niet aannemen? Harer nāma harer nāma harer nāmaiva kevalam (CC Adi 17.21). Chant gewoon Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, vierentwintig uur. Kīrtanīyaḥ sadā hariḥ (CC Antya 20.21, Śrī Śikṣāṣṭakam 3). Dan wordt je perfect.

Waarom verliezen we deze kans? Dat is ons ongeluk. Dat is uitgelegd door Śrī Caitanya Mahāprabhu; etādṛśī tava kṛpā bhagavan mamāpi (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2): "Mijn Heer, U heeft uw genade zo royaal gedeeld dat het chanten van Uw naam voldoende is." Nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktiḥ (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2). Dit chanten van Uw naam, abhinnatvān nāma-nāminoḥ (CC Madhya 17.133), bevat al Uw vermogens. Nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktis tatrārpitā (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2). Al Uw vermogens zijn aanwezig. Nāmnām akāri ... En er zijn vele namen, niet maar één naam. Als je niet graag Kṛṣṇa's naam chant dan zijn er ook andere namen, welke naam dan ook. Het moet een harer nāma, een naam van Hari, zijn, geen anderen, harer nāma. Dan krijg je alle vermogens. Nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktis tatrārpitā (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2). Niyamitaḥ smaraṇe na kālaḥ (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2).

En er is geen, ik bedoel, afweging of je in de ochtend of in de avond chant, of je gezuiverd bent of niet. Onder alle omstandigheden kan je chanten. Niyamitaḥ smaraṇe na kālaḥ (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2). Zulke afwegingen zijn er niet. Dus Kṛṣṇa is zo makkelijk verkrijgbaar voor de mensen, vooral in dit Kali-tijdperk, kalau. Toch hebben we weerstand om de heilige naam te chanten. Daarom betreurt Caitanya Mahāprabhu dat; etādṛśī tava kṛpā bhagavan mamāpi (CC Antya 20.16, Śrī Śikṣāṣṭakam 2): "Hoewel U zo gul en vriendelijk bent voor deze gevallen ziel, toch ben Ik zo onfortuinlijk dat Ik niet geneigd ben om deze heilige naam te chanten." Dit is onze positie, koppigheid, koppig als een hond.

Maar als we het doen dan worden we gezuiverd. Naṣṭa-prāyeṣv abhadreṣu nityaṁ bhāgavata-sevayā (SB 1.2.18). Daarom is het Caitanya Mahāprabhu's advies om het Śrīmad-Bhāgavatam te lezen, of jezelf gezuiverd bent of nog niet, je kan lezen en chanten. Dit is onze Vaiṣṇava richtlijn, plicht. We moeten zoveel mogelijk de Bhagavad-gītā en het Śrīmad-Bhāgavatam lezen. En dergelijke literatuur als het Caitanya-caritāmṛta en Brahma-saṁhitā. Een van hen of allemaal, het maakt niet uit. En chant vierentwintig uur Hare Kṛṣṇa. Dit is onze bezigheid.

Dus we geven iedereen deze kans. We hebben dit grote gebouw gebouwd en bouwen steeds meer, waarom? Om iedereen deze kans te geven. Kom alsjeblieft hier. Chant, doe mee met de Hare Kṛṣṇa kīrtana, neem prasādam, en doe je best, gebruik de talenten die je hebt, gemakkelijk, niet erg overbelast. Als je weet hoe je iets moet doen, doe het voor Kṛṣṇa. Iedereen weet iets. Iedereen heeft een bepaald talent. Dus dat talent moet voor Kṛṣṇa gebruikt worden. En als je denkt dat: "Nee, ik zal alleen chanten," oké, chant. Maar doe niet alsof je chant maar zit te slapen. Niet bedriegen. Zulk bedrog is niet goed. Als je denkt dat je kunt chanten als Haridāsa Ṭhākura, chant dan alleen. Wij zullen je eten geven. Er zijn geen zorgen. Maar probeer niet te bedriegen. Je moet bezig zijn. Yat karoṣi yaj juhoṣi jad aśnāsi, kuruṣva tad mad-arpaṇam (BG 9.27). Natuurlijk, als we vierentwintig uur chanten, dat is heel goed. Maar dat is niet mogelijk. We zijn niet zo hoog verheven. We moeten iets voor Kṛṣṇa doen.

Dus deze Kṛṣṇa-bewustzijnsbeweging geeft iedereen de kans. En we openen centra over de hele wereld met het doel dat je komt en de Hare Kṛṣṇa mantra chant en hoort over Kṛṣṇa, het Bhāgavatam en de Bhagavad-gītā. En wat je ook kunt doen, doe het gewoon voor Kṛṣṇa. Dan is je leven succesvol.

Heel hartelijk dank.